Filosofie|orienteren 

(bijgewerkt: zaterdag oktober 20, 2001 12:01 )

Sri Krishna

Start
Stichter
Wie zijn we
Agenda
Centra
Filosofie
Contact

 

 

 

 

 

Is geloof in opperwezens aangeboren, iets natuurlijks?

 

 

 

 

 

 

 

 

De mens is een rationeel dier

 

 

 

 

 

 

 

 

Hij denkt: Wie ben ik? Wat doe ik hier? Wat is de bedoeling van het leven?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Religie verschaft de meest verreikende antwoorden op deze vragen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het menselijk leven is bedoeld om Godsbewust te worden

 


Your browser is not Java capable or Java has been disabled.

Mens en religie I: Het natuurlijke karakter van religie

Is religie iets bedacht door mensen? Vanwaar dan die natuurlijke drang van de mens om religieus bezig te zijn? Volgens de religies is religieus besef niet aangeboren door toeval maar met een heuse bedoeling. 

door B. Kuenen

 

“Voor evolutiebiologen is het een interessante vraag waar het geloof in opperwezens vandaan komt. Het zit erg diep in onze natuur. Darwin schreef in zijn autobiografie dat het in zijn ogen mogelijk was dat vrees voor God was aangeboren, zoals bij apen de vrees voor slangen... Ik denk dat de oude heer gelijk had. Je moet wel altijd ontzettend oppassen met plausibel klinkende sociobiologie, we zijn er niet bij geweest toen de religie ontstond.”[1] (Intermediair, 14 april 1999.)

Dit zijn woorden van R. Plasterk, als microbioloog verbonden aan het Nederlands Kanker Instituut en op dat moment ook nog columnist voor “Intermediair”, een ‘intelligent’ weekblad voor hoger opgeleiden. Een ‘true believer’, want naar zijn mening is evolutie een vaststaand gegeven, een mening die hij regelmatig heeft laten blijken, en is religie uitgevonden vanwege de noodzaak om menselijk handelen te motiveren.[2]

 

Toch erkent hij hier iets heel wezenlijks, nl. dat religie (of levensbeschouwingen in het algemeen), heel nauw met de mens is verbonden. Srila Prabhupada, noemt de mens een rationeel dier, dat niet verschilt van een gewoon dier wanneer deze rationaliteit is vernietigd.[3] Hij voegt daaraan toe: 

“Het verschil tussen een menselijk wezen en een dier is gebaseerd op de kracht van het menselijk wezens om boven de dierlijke neigingen te staan. Het dierlijke deel van een mens heeft voedsel nodig, een plaats om te wonen, bescherming tegen angst en zinsbevrediging. Deze vier principes hebben mens en dier gemeenschappelijk. Maar er iets anders dat speciaal bedoeld is voor de mens. Dat is Godsbewustzijn.”[4] (Srila Prabhupada, pre-1965 artikelen.) 

Op één of andere manier drijft iets de mens in de richting van het laatste, want hij is verplicht alles in zijn aardse bestaan zelf uit te zoeken: in tegenstelling tot de dieren moet de mens zijn eigen wereld inrichten en onderhouden.[5] De mens heeft niet de mogelijkheid om instinctmatig een leven te leiden zoals dieren dat doen. Zijn biologische structuur verplicht hem zijn eigen wereld te maken, erin te veranderen of in te grijpen, anders overleeft hij het niet.[6] Toch biedt de mens weerstand tegen veranderingen. Hij weet tenslotte niet altijd wat hij teweegbrengt met zijn ingrijpen, omdat hij het grote geheel eenvoudigweg niet kan overzien. Vooral in tijden waarin zijn natuurlijke streven om geluk of voldoening te ervaren dramatisch worden doorkruist, verliest hij het vertrouwen in de voorspelbaarheid en zin van zijn activiteiten.

Op zoek naar zekerheid en zin stelt de mens zich daarom de vragen: “Wie ben ik?”, “Waarom ben ik hier?” en “Wat betekent dit allemaal?”. Zijn intellect en zelfbewustzijn stellen hem in staat om zich met deze vragen bezig te houden. 

“Menselijk bewustzijn kan worden onderscheiden van dat van de dieren door ons vermogen vragen te stellen. Deze vragen gaan behoorlijk wat verder dan zaken als voedsel, verblijfplaats en relaties (aangezien een recent artikel in Newsweek ons informeert dat chimpansees zeer mensachtig zijn in een groot deel van hun sociale leven) en omvatten erfgoed (Waar kom ik vandaan?), roeping (Wat doe ik hier?) en bestemming (Waar ga ik heen?). Laatstgenoemde vraagstukken zijn bij uitstek menselijk, want ze duiden een spirituele en morele speurtocht aan, een reis zo oud als de mensheid.” (Tamala Krishna Goswami, “A Hare Krishna at SMU”, H4: “Lost in Place”,)[7] 

Van alle levensbeschouwingen geeft religie de meest verreikende antwoorden op deze vragen, want het kent een absolute betekenis toe aan al wat zichtbaar en onzichtbaar is, geeft levensinstructies om gelukkig te kunnen worden, geeft aan wat er na de dood gebeurd en hoe men zich kan bevrijden van ellende. Bovendien geeft religie aan wat goed en slecht is voor individu, maatschappij en natuur in de vorm van morele codes.[8] Het is daarom niet vreemd dat mensen door de tijden heen hun heil in religie zochten om motivatie, zekerheid, stabiliteit en richting in het bestaan te vinden.

Ook voor een samenleving verschaffen levensopvattingen direct of indirect betekenis aan het verleden, een verklaring van het heden en voorzien in richtlijnen voor de toekomst.[9] Daarnaast helpen deze om instituten te organiseren, idealen te ontwikkelen en autoriteit te vinden voor haar acties. Zo liggen Bijbelse opvattingen nog steeds aan de basis voor de meeste westerse samenlevingen. Andere religieuze systemen als het Buddhisme, Hindoeïsme en Islam vormen nog steeds het fundament voor verschillende samenlevingen. Naast religieuze staatsinrichtingen kunnen bijvoorbeeld het Marxisme, Leninisme en Maoïsme worden genoemd als niet-religieuze staatsinrichtingen. Opmerkelijk is echter dat de meeste stabiele, langdurig bestaande beschavingen religie zeer serieus namen en ook qua inrichting gebaseerd waren op religieuze opvattingen. Srila Prabhupada onderstreept dit belang van religie: 

“Dit Godsbewustzijn is opvallend afwezig in het dierenleven, terwijl in het mensenleven dit Godsbewustzijn ‘slapend’ aanwezig is, zelfs in de samenleving van primitieve volkeren. Godsbewustzijn ontwikkelt zich in verschillende stadia van menselijke beschaving naar plaats, tijd en personen. Dit Godsbewustzijn wordt Religie genoemd of Cultureel Leven, zonder welke geen enkele beschaving stand kan houden.”[10] (Srila Prabhupada, pre-1965 artikelen.) 

“Zonder geloof vaart niemand wel”, zou theoloog H. Kuitert bevestigend zeggen. Christus stelt eveneens dat het welzijn van de mens niet louter afhankelijk is van de vervulling van lichamelijke behoeften. Hij zei: “Er staat geschreven: Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat.”[11] (Mattheüs 4:3) en spoorde zijn toehoorders aan vooral “… schatten in de hemel [te verzamelen], waar mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen.”[12] (Mattheüs 6:20)

 

Vanuit de optiek van de religie geeft het Srimad Bhagavatam zeer stellig aan dat de natuurlijke hang naar religie beslist niet uit de lucht komt vallen, maar speciaal bedoeld is voor het menselijk wezen, zodat deze de Absolute Waarheid,  Sri Krishna, God, kan leren kennen. 

“Men dient zijn levensverlangen niet naar zinsbevrediging te laten uitgaan. Men dient slechts een gezond bestaan of levensbehoud te begeren, aangezien het doel van het mensenleven eruit bestaat de Absolute Waarheid te ontdekken. Dat en niets anders behoort het doel van ieders doen en laten te zijn.” (S.B. 1.2.10)



[1] “Een God voor als het Oorlog is.”, Dr. R. Plasterk, Intermediair, 14, april 1999, tegenwoordig columnist voor de Volkskrant.

[2] In “God – The Evidence.”, Patrick Glynn, 1997, wordt bijv. geschreven dat Dr. H. Benson, een Harvard professor, God accepteert als een krachtig overlevingsinstinct of oerdrang. (Bron: Dimensions of Good and Evil, door H.H. Suhotra Swami.)

[3] “What is the matter with the world?”, Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, pre 1965 writings.

[4] “What is the matter with the world?”, Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, pre 1965 writings.

[5] “Zonder geloof vaart niemand wel”, Dr. H.M. Kuitert, 2e druk april 1974, blz 19. Kuitert geeft hier een antropologische redenering.

[6] “Zonder geloof vaart niemand wel”, Dr. H.M. Kuitert, 2e druk april 1974, blz 19.

[7] Tamala Krishna Goswami, “A Hare Krishna at SMU”, H4: “Lost in Place”, bespreking gelijknamige boek van Mark Salzman.

[8] Suhotra Swami geeft in zijn boek “Dimensions of Good and Evil”, aan dat religie een morele indeling geeft aan het universum, toegespitst op het individu (adyatmika/microcosmos), maatschappy (adhibautika/mesocosmos) en natuur (adhidevika/macrocosmos).

[9] Neil Postman, “Technopoly”, blz 172, aangehaald in “Transcendental Personalism”, door Suhotra Swami, blz. 143. Postman gebruikt dit om de waarde van een ‘narrative’, of verhaal aan te duiden.

[10] “What is the matter with the world?”, Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada, pre 1965 writings.

[11] “Mattheüs 4:4, “De verzoeking in de woestijn.”, uitgave Nederlands Bijbelgenootschap 1985.

[12] “Mattheüs 6:20, “De ware schat.”, uitgave Nederlands Bijbelgenootschap 1985.

 

 


 Jump to top of page.

Start ] Omhoog ] Stichter ] Wie zijn we ] Agenda ] Centra ] Contact ]

Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare
Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare