![]() |
|
Filosofie|orienteren |
(bijgewerkt: zaterdag oktober 20, 2001 12:01 ) |
Zijn religies die anderen ellende bezorgen wel religies?
Religie waarbij liefde voor God wordt ontwikkelt is Religie!
Gebrek aan religieus besef veroorzaakt alle ellende
Ziel is eeuwig en dienen van God wordt geleerd in alle religies
Lichamelijke levensopvatting oorzaak onvrede in wereld
Krishna, God, dienen enige juiste religie!
|
|
|||
| Mens en religie III: Zuivere religie | ||||
|
Religie is iets natuurlijks. Geweld met een religieus tintje ook. Afschaffen van religie werkt niet, dus wat nu? Misschien moeten we ons afvragen wat nu precies religie is en of onze huidige concepten ervan wel juist zijn. De religieuze traditie blijkt precies aan te geven waar het aan schort door B. Kuenen De mens heeft enerzijds van natuurlijke religieuze
gevoelens, anderzijds is religie een motor achter veel gewelddadige
conflicten. Het afschaffen van religie blijkt echter allesbehalve een
goed alternatief. Zijn er soms andere redenen waarom religie geweld in
de hand werkt? De religieuze geschriften blijken zelf antwoorden te
geven op deze vraag. In het Srimad Bhagavatam wordt min of meer
hetzelfde onderwerp behandeld: koning Citraketu ventileert zo zijn
twijfels over het nut van religies die anderen ellende bezorgen: “Hoe
kan een religie waardoor men afgunstig wordt op zichzelf en anderen van
enig nut zijn? Wat levert het feitelijk op? Als men door dergelijke
afgunst bij zichzelf en anderen pijn veroorzaakt, wekt men Uw woede op
en is men juist irreligieus bezig.” (S.B. 6.16.42) Ellende veroorzakende religies worden hier
uiteindelijk aangeduid als irreligieus; ze hebben feitelijk niets met
religie te maken. Maar wat is dan werkelijke religie? Srila Prabhupada
geeft het doel van echte religie, bhagavata-dharma,
waarvan in de grote religies duidelijke sporen zijn te vinden:[1] “De
test van ieder geschrift is hoe iemand liefde voor God kan ontwikkelen.
Als je ontdekt dat je door het volgen van religieuze principes je liefde
voor God ontwikkelt, dan is het perfect. Het maakt niet uit of dit
volgens de Bijbel is, de Qur’an of de Bhagavad Gita. We moeten kijken
wat de vruchten zijn. Als de vrucht is dat mensen liefde voor God
ontwikkelen, dan is het perfect.”[2] (Lezing 18/10/1968) Het ontwikkelen van liefde voor de Allerhoogste
Godspersoon, Krishna, is dus datgene wat religies gemeen hebben. Zodra
de beoefenaars dit doel uit het oog verloren hebben en religie beoefenen
om allerlei eigen behoeften te bevredigen, gaat het mis. Door alle
tijden heen is niet de religie zelf de oorzaak van conflict geweest,
maar juist het gebrek aan werkelijk religieus besef.[3]
Hierdoor kan men evenmin doordringen in de kern die verschillende
religies met elkaar gemeen hebben.[4]
Eén van dé grootste veroorzakers van irreligie, wat zich bijv. uit in
zowel pseudo-religieuze als niet-religieuze conflicten, is de
lichamelijke of materiele levensbeschouwing. In relatie tot religie zegt
Koning Citraketu hierover: “Alle
vormen van religie, met uitzondering van bhagavata-dharma,
zijn vol tegenspraak, werken met concepten gebaseerd op materieel
voordeel en maken ten onrechte onderscheid tussen ‘ik’ en ‘jij’
en ‘mijn’ en ‘dijn’. De volgelingen van het Srimad
Bhagavatam hebben zo’n bewustzijn niet. Ze zijn allemaal
Krishna-bewust en denken dat zij van Krishna zijn en Krishna van hen. Er
bestaan andere religies van laag niveau die men kan aanhangen als men
zijn vijanden wil doden of mystieke krachten wil krijgen, maar zulke
religies zitten vol hartstocht en afgunst en zijn daarom onzuiver en
tijdelijk. Door de vele afgunst die erin zit, treft men er talloze
irreligieuze principes in aan.” (S.B. 6.16.41) Bhagavad-dharma
is vrij van materiele begrippen als “mijn godsdienst” en “jouw
godsdienst” of “mijn geloof” en “jouw geloof” [5]
en staat los van het vergaren van materiele kwaliteiten of het
verbeteren van iemands materiele situatie. Er is maar één Godsdienst,
die waarbij men de Allerhoogste Heer zondermeer dient in een liefdevolle
relatie. Krishna leert Arjuna in de Bhagavad Gita dat de mens niets met
zijn lichaam te maken heeft, maar een eeuwige ziel is met het
uiteindelijke doel om geheel in Krishna’s toegewijde dienst op te
gaan. “De
ziel kent geboorte noch dood. En eenmaal zijnde, houdt ze nimmer op te
zijn. Ze is ongeboren, eeuwig, immer-zijnd, onsterfelijk en
oorspronkelijk. Ze wordt niet gedood wanneer het lichaam wordt
gedood.” (B.G. 2.20) Het eeuwige karakter van het levend wezen en overgave
aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, zijn belangrijke elementen die
worden teruggevonden in de andere grote religies. Identificatie met het
vergankelijke lichaam verwijdert het levend wezen echter van werkelijke
religie en brengt het levend wezen in serieuze problemen. “Wanneer
de ziel in de ban van materiële natuur en vals ego is en zich met haar
lichaam vereenzelvigd, raakt ze geabsorbeerd in materiële activiteiten
en denkt onder invloed van het vals ego dat alles van haar is.” (S.B.
3.27.2) Door de vereenzelviging met het lichaam menen levende
wezens dat ze koe, hond, kat, amerikaan, nederlander, argentijn, kind,
man of vrouw zijn. Deze aanduidingen zijn bepaald door het lichaam of
lichamelijke relaties. Ook iemands opvattingen en overtuigingen worden
bepaald door vereenzelviging met het lichaam, (B.G.
13:6-7 en 17:3).[6]
Zolang men denkt dat men Christen, Moslim, Hindoe of Jood is en niet
ziet dat dit onderscheid niet bestaat, omdat het doel voor allen
overgave aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is (B.G. 18.66), blijft men slachtoffer van die vereenzelviging met
het lichaam. Desalniettemin leert de praktijk dat zinloze gewelddadige
conflicten worden uitgevochten vanwege de identificatie met zinloze
lichamelijke aanduidingen. Het volgende vers laat zien dat dit
allesbehalve te maken heeft met religieus gedrag: “De
gebonden zielen worden volledig verstrikt door genegenheid voor hun
eigen lichaam, hun bloedverwanten en bezittingen. In zo’n trotse en
belachelijke staat, benijden de gebonden zielen andere levende wezens,
evenals de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Hari, die in het hart van
elk wezen woont. Aldus anderen afgunstig en kwalijk bejegenend, zakken
de gebonden zielen geleidelijk aan af in de hel.” (S.B. 11.5.15) Een levende wezen in dergelijke staat heeft de neiging alleen bloedverwanten genegenheid te schenken.[7] Dergelijke genegenheid is verankerd in lichamelijke gehechtheid en helpt uiteindelijk niemand. Het werkt afgunst in de hand, wat leidt tot kwalijk gedrag. En zo staat familie op tegen familie, dorp tegen dorp, stad tegen stad, land tegen land, katholiek tegen protestant, hindoe tegen moslim, jood tegen christen, etc., onder het waanidee van “wij horen bij elkaar en jullie horen niet bij ons”. In de Bhagavad Gita maant Krishna de mens dan ook om los te komen van de lichamelijke levensbeschouwing en dus “...niet gehecht [te] zijn aan kinderen, vrouw, huis en haard...”,[8] (B.G. 13.8-12). Door op de juiste manier religie te beoefenen met het juiste doel voor ogen, toegewijde dienst aan Krishna Zelf, is er geen enkele reden voor ‘religieuze’ conflicten. [1] Zie bijvoorbeeld Mattheüs 22:34-40 of Deut. 6:5. in de Bijbel. [2] Sri Srimad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada: Lezing 18/10/1968 (opgenomen in “A.C. Bhaktivedanta Swami on Islam”, door Akif Manaf Jabir, Ph.D.) [3] Iskcon Journal Vol. 2.2: “Mass Media and New Religious Movements”, Dr. J.A. Beckford, paper for International Conference on Religion and Conflict Armagh, 20-21 May 1994. Cited Candland, 1992. Beckford beargumenteerd de stelling dat het afnemen van religieus besef aanleiding geeft tot meer controversie en conflicten. [4] “Scientific Positivism, New Dualism, and Perrenial Wisdom”, Willis W. Harman, Regent University of Calilfornia in “Synthesis of Science and Religion”. Harman benadrukt de eeuwige onveranderlijke wijsheid die verborgen ligt in de esoterische tradities. [5]
“Srimad Bhagavatam”, 6.16.41, Purport. [6]
“Bhagavad Gita Zoals Ze Is”, H13, vers 6 en 7: drtih: overtuiging (woord voor woord) / opvattingen (vertaling),
genoemd als onderdeel van het veld van aktiviteiten, het lichaam. Zie
ook Sivarama Swami’s “The Bhaktivedanta Purports” [7] “Dimension of Good and Evil.”, Suhotra Swami, H3, “For Goodness’ Sake”. In de purport van S.B. 1.2.9 definieert Srila Prabhupada de genegenheid voor verwanten en gemeenschap als ‘indirect egoïsme’. [8] “Bhagavad Gita Zoals Ze Is”, H13, vers 8-12, purport Srila Prabhupada: “Onthechtheid van kinderen, vrouw en huis en haard betekent niet dat we hier gevoelloos tegenover moeten staan. De genegenheid die we voor ze koesteren is natuurlijk, maar wanneer ze een nadelige invloed hebben op onze geestelijke vooruitgang, dienen we er niet aan gehecht te zijn.”
|